zondag 18 september 2016

FOTONEN Nr 15, 18 september 2016


FOTONEN  Nr 15,  18 September 2016

De grote Nederlandse geleerde Christiaan Huygens  (1629 – 1665)  heeft veel onderzoek gedaan naar het verschijnsel “LICHT”. In 1640 publiceerde hij in z’n geschrift “Traité de la lumière” dat licht een golfbeweging is en dat er dan ook iets moet zijn om te golven, een “medium” dus.

Een andere grote geleerde, Izaac Newton”, die ook veel onderzoek deed naar licht, ging hier in zijn publicatie “Opticks” (1704) tegenin. Hij verklaarde de verschijnselen “breking”, “weerkaatsing” en “interferentie”, door aan te nemen dat licht uit deeltjes bestaat. Maar ene Thomas Young, die in 1801 experimenteerde met interferentie, kon deze eigenschappen wél met Huygens golftheorie, maar níet met Newton ’s lichtdeeltjes verklaren.

Wat is nu licht, zijn het golven of deeltjes?

In 1873 kwam James Clerk Maxwell met z’n beroemde theorie over elektromagnetische golven. Hij ging uit van golven die geen medium nodig hebben.

In 1886 toonde Heinrich Hertz aan dat lichtgolven en elektromagnetische golven “vergelijkbaar gedrag” vertoonden en dat ze zich beide met de lichtsnelheid bewegen.

De lichtsnelheid was intussen door Hippolyte Fizeau  (in 1849) vastgesteld op ongeveer 300.000 km per seconde, thans aangegeven met de letter “c”.  

Maar…nu weten we het nog niet, waar bestaat licht nu uit, zijn het nu golven of is het een stroom deeltjes?

Er was nog een ander probleem dat maar niet opgelost werd: Hertz en andere onderzoekers hadden het ”foto-elektrisch effect” ontdekt, maar konden één aspect ervan niet verklaren. Dit effect houdt in dat licht elektronen weg kan slaan uit een metaal. Maar…. waarom werkt rood licht niet, al is het nog zo sterk, en blauw of violet licht wel?

Max Planck, van de kwantumtheorie, kwam met het begin van een verklaring, hij ontwikkelde een formule waaruit bleek dat hoe korter de golflengte (en hoe hoger de frequentie) van straling is, des te hoger de energie. Hij was ook de eerste die het begrip “quanta” introduceerde: het begin van de kwantumtheorie.

Ook Einstein had, onafhankelijk van de anderen, ontdekt dat alleen  kortgolvig licht (met hoge frequentie) voldoende energie heeft om elektronen weg te slaan. Met langgolvig (rood) licht lukt dat niet, Daarmee kon hij (in 1905) eindelijk het “foto-elektrisch effect” goed verklaren. Hiervoor kreeg hij later zelfs de Nobelprijs.

Einstein concludeerde dat licht inderdaad uit deeltjes moest bestaan. Hij noemde ze “fotonen” (‘photons”). Maar…. er waren toch zeer veel aanwijzingen dat licht een golfkarakter heeft? Geen  probleem, volgens Einstein, licht gedraagt zich soms als deeltje en soms als golf en inderdaad: de kwantumtheorie en allerlei latere experimenten blijken dit te bevestigen.



ELEKTROMAGNETISCH VELD



Als er golven zijn moet er ook iets zijn dat golft. Bij geluid is dat de lucht, in een vacuüm hoor je niets. Dat blijkt uit de bekende proef met de glazen stolp waarin zich een rinkelende bel bevindt. Als de lucht er uit gezogen wordt sterft het geluid van de bel weg.

Gooi een steen in het “medium” water, dan ontstaan er (water)golven. Daarom bedacht men dat er toch ook een medium in het heelal moest zijn: de “ether”, waarin alles kon golven.

Helaas, na de beroemde proef van Michelson-Morley, waarbij men de “etherwind” wilde vaststellen, moest men de ether theorie laten varen, er werd géén etherwind vastgesteld.

De proef werd vele malen herhaald, maar het interferentie patroon van de lichtstralen, in langs richting en haaks erop, was steeds gelijk. De ether theorie liet men daarom maar varen. Wel bevestigde de proef de conclusie dat de lichtsnelheid altijd, hoe men ook meet, dezelfde waarde (“c”) heeft.

Dat er geen ether bestaat wordt ook bevestigd door Maxwell ’s stelling: “het bijzondere van elektromagnetische straling (zoals licht) is dat er geen medium nodig is waarin golven zich voortplanten”.

Een boude bewering. Als er geen ether of ander medium is, dan is er dus eenvoudig “niets”. Is dit ook zo? Ik heb er moeite mee. Er moet toch iets golven? Zou er niet toch een soort ether zijn die bestaat uit onvoorstelbaar kleine, niet waarneembare, deeltjes, zogenaamde Planckdeeltjes bijvoorbeeld?

Op deze beroemde Michelson-Morley proef is later kritiek geuit, er is namelijk met licht gemeten dat uit één richting komt: van de zon. De zon staat voor ons op een min of meer vaste plaats, dus klopt er iets niet, als de volgende stelling (ik weet niet van wie) geldig is:



“Als we een licht- of geluidsgolf waarnemen, die afkomstig is van een bron die ten opzichte van ons in rust is, komen de opeenvolgende golftoppen met even grote tussenpozen bij ons aan als waarmee ze uitgezonden worden”.



Dan treedt het Dopplereffect bij zonlicht dus niet op en is daardoor het interferentiepatroon altijd gelijk. De verklaringen die men indertijd bedacht waren de “Lorentzcontractie” en de snelheidsafhankelijke tijd (van Einstein). Deze verklaringen waren  volgens mij dus eigenlijk niet nodig, waarmee ik niet wil zeggen dat deze fenomenen niet bestaan.

Dat de lichtsnelheid (in vacuüm) altijd “c” bedraagt, hoe men deze ook meet, blijft ook een vaststaand feit, tót het tegendeel is bewezen. Maar dat er geen ether bestaat is met deze MM proef niet echt bewezen, ze is alleen niet aangetoond. De “ethergolven” van vroeger zouden dus misschien toch kunnen bestaan?



HOE ONTSTAAN (en WAT ZIJN) FOTONEN?



Dan denk ik aan mijn lessen in smeden op de zeevaartschool. Ik legde een staaf ijzer in het kolenvuurtje en stookte het flink op. IJzer moet je smeden als het heet is, niet waar? De staaf werd warm, na een tijdje  donkerrood, steeds helderder rood, oranje en ten slotte witheet. Bekijken we het nu op atomair niveau, dan krijgen de ijzeratomen steeds meer energie van het vuur. De elektronen om de atoomkern worden steeds onrustiger en springen naar een volgende baan. Daar kunnen ze zich niet handhaven, vallen terug en zenden daarbij een pakketje energie uit: een “FOTON”.

Een foton is dus een pakketje energie “in elektromagnetische vorm”,  met een bepaalde golflengte (dus toch een golf). Zodra de golflengte minder dan 750 Nanometer is, wordt de straling zichtbaar voor ons, eerst als rood licht en dan via oranje, geel en groen naar blauw en violet.

Fotonen zijn dus compacte golfpakketjes die een bepaalde golflengte hebben. Ligt de golflengte tussen de 750 en 380 Nanometer dan zijn deze fotonen zichtbaar voor het menselijk oog, tenminste als ze ergens opvallen. Dat is het vreemde van “zichtbaar” licht: het is pas zichtbaar als het op ons netvlies valt, of het nu direct licht of gereflecteerd licht is.

Bewegende fotonen zelf zijn dus onzichtbaar. Nog wat, niet alleen licht, alle elektromagnetische golven, ook radiogolven, microgolven, Röntgen- en gammastralen bestaan uit fotonen. Ook produceert elk materieel object met een temperatuur boven het absolute nulpunt (0 Kelvin), fotonen, namelijk infrarood straling, waarbij de golflengte van de straling afhankelijk is van de temperatuur van het betreffende materiaal. (Infrarood straling is warmtestraling).

Wat is er nog meer over fotonen bekend? Fotonen zouden geen afmetingen hebben (is dat wel zo?). Het zouden massaloze “puntdeeltjes” zijn. Ook zouden ze (in vacuüm) altijd met de lichtsnelheid “c” bewegen “omdat ze geen massa hebben”.

Maar… als zo’n foton uit een elektronenbaan van een atoom wegspringt begint het toch met snelheid nul? Omdat fotonen geen massa hebben moet, volgens de natuurkundige wetten, de versnelling oneindig groot zijn. Een vreemde zaak, want dan zou zo’n foton dus “instantly” de snelheid “c” hebben.



DE ZON



De belangrijkste bron van fotonen voor onze wereld is: de zon. In de zon vindt een continu kernfusieproces plaats, waarbij waterstof in helium omgezet wordt. Daarbij komt een enorme hoeveelheid stralingsenergie vrij. Over deze straling lees ik het volgende:

“Ongeveer 99% van de elektromagnetische straling afkomstig van de Zon, bevindt zich in het gebied: UV, zichtbaar licht en IR (warmte)straling. De piek in het spectrum van de zonnestraling ligt bij een golflengte van ongeveer 500 nm, in het blauwgroene golflengtegebied van het zichtbare licht”.



De hoeveelheid energie die de zon de ruimte instuurt in de vorm van straling is enorm: 3,85×1026 Watt per seconde.

Een héél klein deel van deze stralingsenergie, maar nog steeds een zeer grote hoeveelheid, bereikt onze aarde en zorgt voor een leefbare temperatuur en voldoende licht. Hoeveel Watt ontvangt de aarde (per vierkante meter per seconde)?



“Gemiddeld 1367 Watt per m². Deze waarde heeft een jaarlijkse gang door de ellipsvormige baan van de aarde rond de zon. Zo bereikt 1412 Watt per m² in januari de atmosfeer, tot 1312 Watt per m² in juli.:



Doordat de afstand van de zon tot de aarde, gemiddeld 150 miljoen kilometer is, duurt het 8,3 minuten eer de zonnefotonen de aarde bereiken. Daarbij zorgt onze dampkring ervoor dat gevaarlijke straling, zoals UV en kosmische straling, grotendeels tegengehouden worden. Voor de leefbaarheid van de aarde blijkt de zon precies op de juiste afstand van de aarde te staan. De zon schijnt zeer constant, al 4,5 miljard jaar, en heeft nog voor miljarden jaren “brandstof”. Wat een geluk hebben we met deze zon!



ELEKTROMAGNETISCH VELD



Licht is een elektromagnetische straling. Maar wat is toch dat

elektromagnetische veld? Dat weten we nog steeds niet. Wel lees ik  het volgende:

“Elektromagnetische straling beweegt zich voort in een veld, namelijk het elektromagnetische veld. Het elektromagnetische veld bestaat uit twee componenten: het elektrische veld en het magnetische veld”.



En ook:

“Een foton is een pakketje energie in elektromagnetische vorm. Het elektromagnetische veld breidt zich met de lichtsnelheid uit. Vandaar dat een foton zich met de lichtsnelheid beweegt (althans in een vacuüm).”

Is dat zo? Breidt het elektromagnetische veld zich inderdaad met de lichtsnelheid uit? Zorgen fotonen zelf voor een veld? Maar wat is dan  dat “veld”?

Ik lees nog wat:

“Elektrisch veld: ontstaat door elektrische ladingen en zorgt voor een elektrische kracht op andere ladingen.”

“Magnetisch veld: ontstaat door de beweging van elektrische ladingen.”

Weten we nu wat een ELEKTROMAGNETISCH VELD is? Ik vermoed dat eigenlijk niemand dit echt weet. We kunnen er wel gebruik van maken en het in formules uitdrukken. En misschien bestaat het elektromagnetische veld toch uit een soort ether.



LICHT uit het HEELAL



Kijken we naar de sterrenhemel, dan zien we vele sterren die licht de ruimte insturen waarvan een deel ons oog bereikt, want we “zien” ze. Deze sterren, eigenlijk zijn het “zonnen”, staan op enorme afstanden van ons af. De dichtst bij de aarde staande ster is “Proxima Centauri” die op 4,22 lichtjaren van ons afstaat, dat komt neer op:

4,22 x 9,5 biljoen km. Een lichtjaar is dus 9,5 biljoen kilometer of  precies 9.460.730.472.580.800 meter.

Genoemde ster is moeilijk te zien zonder kijker, maar als we hem zien dan hebben de lichtfotonen die ons netvlies bereiken een lange weg achter de rug. Eigenlijk een klein wondertje dát ze ons bereiken, want zodra ze onderweg iets ontmoeten, al is het maar een stofje: einde foton en z’n energie verdwijnt in het stofje.

Tegenwoordig kunnen we met sterke telescopen zeer ver in het heelal kijken. Men heeft zelfs sterrenstelsels ontdekt die meer dan 10 miljard lichtjaren van ons af zouden staan, maar die afstand is bepaald met de “roodverschuiving”, waar ik dus m’n twijfels over heb (zie m’n vorige blog nr. 14).

In ieder geval staan die sterrenstelsels niet meer op de plaats waar we ze nu zien staan en het is ook de vraag of ze überhaupt nog bestaan. Niet alleen staan deze stelsels onvoorstelbaar ver weg, we zien ze zoals ze miljarden jaren geleden het nu waargenomen licht uitzonden.

Dat het licht van deze verre objecten, ook na al die tijd, ons nu nog bereikt is helemáál een wonder. De fotonen die zo lang gereisd hebben zouden inderdaad wel eens aan de “vermoeid licht theorie” kunnen voldoen, waarmee men de abnormaal grote roodverschuiving (die de afstand bepaalt) probeert te verklaren.

Als zulke stokoude fotonen dan eindelijk onze telescopen bereiken, is het meteen gedaan met ze, ze geven hun energie af aan de spiegels en lenzen van de telescopen en arriveren als andere fotonen  uiteindelijk op het netvlies van de waarnemer. Geen nood, de stroom fotonen blijft komen, er zijn er nog volop onderweg! En de fotonen die niets tegenkomen? Die blijven eeuwig doorgaan.



REFLECTIE  van  licht



Over reflectie heb ik in hoofdstuk 17 van mijn boek “Zoektocht” al behoorlijk veel geschreven. Een van de vreemdste eigenschappen van licht is de “gedeeltelijke reflectie” van glas en water. Newton vond het indertijd al een moeilijk te verklaren onderwerp.

Lopen we langs een etalageruit, dan zien we wat er in de etalage ligt, maar….. we zien ook onszelf. Kijken we in het water van een heldere sloot, dan zien we waterplanten, en misschien vissen, maar ook onszelf ! Narcissus werd zelfs verliefd op zichzelf toen hij z’n eigen gezicht weerspiegeld zag in water

Hebben we het over glas, dan blijkt een glazen ruit, volgens de glas deskundigen, 96 % van het licht door te laten en 4 % terug te kaatsen.

De beroemde wiskundige Richard Feynman heeft hier onderzoek naar gedaan en kwam tot vreemde conclusies. Zijn boek heet dan ook: “QED The strange theory of light and matter”. Hij bestudeerde o.a. het gedrag van  fotonen, van één golflengte (“monochromatisch licht),  in glas.

Er blijkt verschil te zijn tussen glas en glasplaten. Richard gebruikte voor zijn proeven een “foton multiplier”, waarmee hij fotonen kon tellen. Ik kan begrijpen dat je zo’n apparaat aan weerszijden van een glasplaat plaatst en dan fotonen telt, maar hoe plaats je een foton multiplier IN glas? En, hoe krijgen we monochromatisch licht? Dat is niet zo moelijk: met een laser, die geeft een geconcentreerde bundel licht van één golflengte. 

Uit zijn proeven bleek ook dat van de 100 fotonen die het glas ingaan, er 4 terugkaatsen. Maar bij een glasplaat is het anders, daar reflecteert 0 – 16 %, afhankelijk van de dikte, en dat gaat zeer ver door. De reflectie loopt op en weer terug volgens een regelmatige curve. Dit nu is zeer vreemd want het lijkt er dan op dat de invallende fotonen van de terugkomende fotonen vernomen hebben hoe dik de glasplaat is en dan besluiten hoeveel fotonen er zullen terugkaatsen. (Dat blijkt ook zo te zijn wordt gezegd).

Wat betreft de 4 fotonen van de 100, die van glas terugkaatsen,  welke 4 fotonen zijn dat? Is dat ook vooraf afgesproken? Intussen weet ik dat dit niet dezelfde fotonen zijn: zodra een foton een reflecterend oppervlak raakt, kaatst er een ander foton terug. Hierbij zou een foton wat energie kunnen verliezen, waarbij dus de frequentie iets zal veranderen. Waarom licht wel door glas, water en andere materialen gaat en door weer andere niet is ook nog een vraag, maar dat kan de wetenschap wel verklaren.

De titel van Richard Feynmans boek is juist gekozen, de wereld van het zeer kleine is inderdaad vreemd, zeer vreemd. Lezen svp.



BREKING van licht



Als licht uit fotonen bestaat, hoe verklaren we dan het gedrag van fotonen bij het fenomeen “breking”? Met “breking” wordt het feit bedoeld dat, als we een stok schuin in het water steken, dan lijkt hij bij het wateroppervlak te “breken”: er lijkt een knik in de stok: de hoek is zichtbaar veranderd (kleiner). Wat is de oorzaak?

Eerst een paar feiten. Licht dat loodrecht op het water valt wordt niet gebroken, alleen schuin invallend licht wordt gebroken. Hoe groter de hoek hoe meer breking.

Dan hebben we ook nog de “brekingsindex” die bijvoorbeeld voor glas groter is (1,5 à 1,6) dan voor water (1,3) en voor lucht heel klein. Deze index wordt berekend met de invals- en de brekingshoek (wet van Snellius) wanneer licht vanuit het ene medium (bijvoorbeeld lucht) een ander “doorzichtig” medium, zoals  water of glas, binnentreedt.

Met deze brekingsindex kunnen we berekenen hoeveel de lichtsnelheid verandert als licht een ander medium binnengaat. Dat is aanzienlijk. Zo neemt de lichtsnelheid bij een brekingsindex van 1,3 met 30 % af, aanzienlijk veel dus.

Hoe wordt deze breking van licht verklaard? De wetenschap kan het fenomeen breking alleen echt verklaren, als licht als golven beschouwd wordt. Door licht als een stroom deeltjes (fotonen) te beschouwen is blijkbaar veel moeilijker.

Wat zou er toch gebeuren met die lichtfotonen, als ze het water schuin induiken? Waarom buigen ze af? Gaan ze liever rechtuit? De hoek van inval is in ieder geval groter dan de brekingshoek. Proberen ze de kortste weg te nemen?

Er zijn dieren die goed met de breking om kunnen gaan, zoals reigers. Een reiger staat geduldig aan de slootkant te wachten en pakt met z’n lange snavel feilloos, rekening houdend met de breking, een visje.

Breking of diffractie is weer een vreemde eigenschap van licht.



ZONZEILEN



Met een zeilboot kun je “aan” de wind en “voor” de wind zeilen. Maar wat blijkt nu, met een flink zeil kun je ook in de ruimte van ons zonnestelsel, vóór de “zonnewind” zeilen, aan de wind zal wel niet gaan. Hoe gaat dat?

Je hebt een flink zeil van reflecterend materiaal nodig en de zon in je rug, dan duwen de fotonen je verder. Je gaat steeds sneller, want er is geen weerstand en zolang er kracht is, is er versnelling en neemt de snelheid toe.

Maar hoe kunnen fotonen een zeilschip voortstuwen? Fotonen hebben toch geen massa? Fotonen hebben inderdaad geen rustmassa, maar wel energie en volgens Einstein is dat “relativistische” massa. Botst nu een foton tegen het zeil, dan zal het als een ander foton met iets minder energie terugkaatsen. De golflengte zal daardoor iets toe nemen en het verschil in energie geeft een druk op het zeil en stuwt je zonnezeilschip voort.

Snel zal het niet gaan, maar op den duur zou je toch een flinke snelheid moeten kunnen krijgen, als er maar voldoende fotonen van achteren komen. Op deze wijze zou een klein ruimtevaartuig naar een planeet van ons zonnestelsel kunnen reizen, zonder dat er veel raketbrandstof meegenomen moet worden.

De Russen, Japanners en Amerikanen hebben het zonnezeilen intussen getest en het principe blijkt te werken, maar of er al zonnezeilschepen onderweg naar planeten zijn heb ik niet kunnen ontdekken.

Intussen vermoedt men dat fotonen misschien toch een hele kleine massa hebben, maar of dat waar is? Bestaan fotonen wel echt. Als we ze zien als golfpakketjes energie denk ik van wel 

zaterdag 10 september 2016

Nr. 14 ROODVERSCHUIVING 10 - 08 - 2016


Nr. 14   ROODVERSCHUIVINGSPROBLEMEN   10 aug. 2016

Een groot deel van m’n leven heb ik met kleur te maken gehad. Na m’n  zeemanstijd raakte ik verzeild in de drukkerijwereld. Uitgewerkt ging ik op zoek naar van alles en begon me te interesseren voor de theorieën over licht en kleur. Op m’n zoektocht kwam ik vanzelf op het begrip roodverschuiving ! In hoofdstuk 21 van m’n boek “Zoektocht“ is veel te lezen over het fenomeen “roodverschuiving”, dat door het “Dopplereffect” veroorzaakt zou worden. Het bleek dat  de heelaltheorie van nu  voor een belangrijk deel op deze  roodverschuiving in het door sterren uitgezonden licht gebaseerd is.

Nu ik er meer over gelezen en nagedacht heb, zie ik problemen. Ik twijfel steeds meer over de juistheid van de theorieën over het heelal en vooral de bevindingen van astronoom Halton Arp voedden m’n twijfels. Zijn waarnemingen zijn opzienbarend maar worden niet serieus genomen, ze zouden intussen weerlegd zijn. Maar is dat ook zo?

SPECTRUM en SPECTRAALLIJNEN

De 17e -eeuwse geleerde Izaac Newton ontdekte op zeker moment dat wit licht uit alle kleuren van de regenboog bestond. Dat gebeurde toen een straal zonlicht toevallig door een nauwe spleet viel en er een kleurige band ontstond. Hij ontdekte dat hetzelfde gebeurt als licht door een prisma valt en noemde de ontstane kleurenband: “spectrum”. “Spectre” betekent spook of geest, Newton vond blijkbaar dat zo’n kleurenspectrum iets spookachtigs heeft. Maar zo spookachtig is het niet, bij de ons allen bekende regenboog gebeurt hetzelfde. Wit zonlicht dat door regendruppels valt, breekt en vormt dan een boogvormig “spectrum” met de kleuren: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Intussen weten we dat ieder van deze kleuren een eigen golflengte en “brekingsindex” heeft, waardoor ze netjes  naast elkaar staan in het spectrum.
De ontdekking van het lichtspectrum was enorm belangrijk voor de  wetenschap. Geleerden begonnen spectra van allerlei lichtbronnen te bestuderen en vooral astronomen kwamen hierdoor meer te weten over sterren en objecten in het heelal. Met de komst van nauwkeurige spectrometers werden in de lichtspectra namelijk lichte en donkere lijnen ontdekt: de “spectraallijnen”. Deze “emissie”- en  “absorptie” lijnen vertellen wat over de bronnen van het licht en de gassen waar het licht onderweg door straalt.

Wat is licht eigenlijk? Het neemt een klein deeltje van de totale  elektromagnetische straling in. Het zichtbare licht beslaat het  golflengtegebiedje tussen 380 Nanometer (violet licht) en 750 Nanometer (rood licht) beslaat. Onder 380 Nm begint het voor ons onzichtbare ultraviolette licht, boven de 750 Nm begint de infrarode warmte straling (ook onzichtbaar).

Het totale elektromagnetische spectrum begint bij de lange radiogolven (meters), FM (millimeters), loopt dan via radar- en micro(meter) golven naar het kortgolvige IR licht, zichtbaar licht en UV licht (Nanometer). Nog kortgolviger is de Röntgen- en gamma straling en de gevaarlijkste straling: de kosmische straling o.a. bestaande uit gammastraling met zeer korte golflengte.

Ook in het spectrum van zonlicht ontdekte men spectraallijnen die een vast patroon blijken te hebben. Omdat de zon t.o.v. de aarde op een min of meer vaste plaats staat kan het zonnespectrum als standaard dienen om er andere spectra mee te vergelijken. De zon bestaat vooral uit waterstof en de meeste lijnen die men ziet zijn dan ook waterstoflijnen die op vaste plaatsen in het spectrum liggen. Bij de lichtspectra van sterren ontdekte men dezelfde lijnen- patronen,  maar…… verschoven ten opzichte van het zonnespectrum.

Het was de astronoom Edwin Hubble die (in 1929) als eerste ontdekte dat het lijnenpatroon van sterrenspectra bijna altijd in de richting ROOD verschoven is, de “roodverschuiving”, en dat hoe verder hij in het heelal keek, hoe meer de lijnen verschoven waren. Hij nam aan dat deze verschuiving veroorzaakt wordt door het “Dopplereffect”. Dit effect kennen we van voorbijrijdende voertuigen zoals ambulances. Komt een ambulance mét sirene op ons af dan is het geluid eerst hoog maar daalt plotseling als de ambulance ons voorbij rijdt en van ons af beweegt. De oorzaak is dat de geluidsgolven vóór de ambulance samen gedrukt en áchter de ambulance uitgerekt worden.

Het zelfde zou, volgens Hubble, ook gebeuren met lichtgolven, waaruit dus zou blijken dat de verschoven spectraallijnen, richting rood, ons vertellen dat de lichtgolven uitgerekt zijn omdat de lichtbron, bijvoorbeeld een ster, zich van ons af beweegt. Hoe groter deze “roodverschuiving” is, des te sneller zo’n ster zich van ons af zou bewegen. Omgekeerd hebben we ook “blauwverschuiving”,  maar die komt veel minder voor.


Met deze bevindingen formuleerde Hubble zijn “wet van Hubble” die grote gevolgen had voor de heelal theorie: men concludeerde hieruit dat het heelal expandeert en hoe verder men kijkt, hoe sneller het heelal uitdijt. Ook concludeerde men dat het heelal ooit klein begonnen moet zijn en kon men de leeftijd van het heelal berekenen.

Dat het heelal expandeert had Einstein uit z’n berekeningen ook al moeten concluderen, maar…… hij geloofde z’n eigen uitkomst niet ! Einstein was overtuigd dat het heelal statisch en oneindig was. Om dit in z’n formules te corrigeren introduceerde hij de  “kosmologische constante” om het heelal weer statisch te maken. Later beschouwde hij dit als z’n grootste blunder. Nu blijkt echter dat die constante toch zo gek nog niet was, alleen de waarde moest aangepast worden.

In Hubble ’s tijd kon men met de toenmalige telescopen niet verder kijken dan in ons eigen melkwegstelsel, met het blote oog trouwens ook niet, de sterren die we aan de hemel zien behoren alle tot de Melkweg. Pas later, toen de telescopen sterker en groter werden, ontdekte men dat er zich, buiten ons Melkwegstelsel, miljarden sterrenstelsels in het heelal bevinden. Ook bleek dat zeer verre stelsels zulke grote roodverschuivingen hadden dat de expansiesnelheid hoger moest zijn dan de lichtsnelheid. Maar... dat zou volgens Einsteins relativiteitstheorie toch niet kunnen? Daar wordt nog steeds over gediscussieerd.

Er is dus ook blauw(of violet)verschuiving. Zo vertoont het dichtst bij ons Melkwegstelsel staande sterrenstelsel, de “Andromeda nevel”, blauwverschuiving en zou dus op ons af komen. Ooit zal dit stelsel botsen met ons melkwegstelsel, beweert de wetenschap.

Uit berekeningen met de wet van Hubble en de roodverschuiving concludeerde men dat het heelal met een “oerknal” begonnen moet zijn en ongeveer 13,7 miljard jaar oud is. Dit getal is afhankelijk van de “Hubble constante”, die in de wet van Hubble voorkomt, maar die constante zou intussen nauwkeurig bepaald zijn.

Een ervaren en beroemde Amerikaanse astronoom, Halton Arp, die veel tijd besteedde aan het bestuderen van verre stelsels en bijzondere objecten zoals “quasars”, begon te twijfelen. Hij zag steeds meer combinaties van sterrenhopen die volgens hun roodverschuiving ontzettend ver uit elkaar moesten liggen, maar zo te zien bij elkaar hoorden en bijvoorbeeld verbonden leken door gasslierten. Hij zag steeds meer van deze situaties en maakte hiervan een “Atlas of peculiar Galaxies” (1966).

Volgens Arp klopte er iets niet. De roodverschuivingsverschillen waren te groot. Hij sprak hij erover met collega’s, schreef boeken en publicaties, maar hij kreeg geen bijval. Het was gezichtsbedrog of toeval, een telescoop ziet geen diepte. Z’n collega’s weigerden achter hem te staan en uiteindelijk kreeg Halton geen telescooptijd meer. Na 29 jaar observeren met de Mount Palomar telescoop nam hij maar (of kreeg) ontslag.

Waarom negeerde men hem en waarom onderzocht men zijn bevindingen niet? De reden is dat zijn observaties niet strookten met de bestaande theorieën over het heelal, de oerknal en de afstanden in het heelal. Als Arp gelijk had zou het wetenschappelijke  kaartenhuis in elkaar storten en dat kon de gevestigde wetenschap niet hebben.

Halton Arp legde alles uit in diverse boeken: “Quasars, redshifts and controversies”, “Seeing red”, maar de wetenschap bleef hem negeren. In 2013 is Halton Arp in Duitsland overleden.

Waarom worden de “anomalie’s”, die Arp in grote getale opmerkte,  niet verder onderzocht? Er is namelijk nog meer aan de hand. Niet alleen waren er grote verschillen in de roodverschuiving in één zelfde sterrenbeeld, ook ontdekte Halton dat de roodverschuiving (“redshift”) gekwantiseerd (“quantized”) was: de verwijderings snelheid verliep niet geleidelijk maar in stappen. Dit was al eerder vastgesteld (1976) door de astronoom William Tifft.  Niet alleen Arp en Tifft, ook andere astronomen stelde deze kwantisering vast. Maar….dan kan de roodverschuiving niet door het Dopplereffect veroorzaakt worden, want het Dopplereffect verloopt geleidelijk en niet in stappen. Ook hiermee heeft de wetenschap het moeilijk, men kwam met vergezochte verklaringen zoals “vermoeid  licht”, “kosmologische” roodverschuiving e.d.

Hoe gaat men nu, in deze tijd, met deze kwantisering van de roodverschuiving om? Men moet toch de conclusie trekken dat  gekwantiseerde roodverschuiving NIET door het Dopplereffect wordt veroorzaakt? Dit houdt in dat afstanden en vluchtsnelheden van verre sterrenstelsels, berekend met de wet van Hubble, niet kunnen kloppen. Ook maar negeren?

De roodverschuiving wordt aangegeven met de letter ‘z’ en hangt af van de roodverschuiving in Nanometer. Met de waarde van ‘z’ en de formule van Hubble kan de afstand en de verwijderingssnelheid berekend worden. Maar….de waarde van ‘z’ is soms zo  groot dat de snelheid meer dan de lichtsnelheid moet bedragen. Heren astronomen, dan klopt er toch iets niet?

Maar nu die “kwantisering”, hoe groot zijn die stappen eigenlijk?

Na de eerste metingen kwam men op +/- 72 km/sec, later op de helft hiervan, dus 36 km/sec en de laatste waarde is 3,67 km/sec. De  stapwaarde is dus door steeds meer metingen, steeds kleiner geworden.

Een wetenschappelijk instituut: het “Sloan Digital Sky Survey” beweert zelfs  dat “geen periodiciteit is geconstateerd in de roodverschuiving van zeer veel gemeten stelsels”.  

Zijn al die astronomen mis, is er echt geen “periodiciteit” in de roodverschuiving? Deugen al die eerdere metingen niet? Of… is dit de zoveelste keer dat de wetenschap ons belazert?

De “kosmologische” en “gravitationele” roodverschuiving die men introduceerde om een en ander te verklaren, is in ieder geval niet erg  geloofwaardig. Toch blijft de gevestigde wetenschap vasthouden aan de oerknal en de leeftijd van het heelal, maar Arp geloofde er niet meer in en hij is niet de enige !

Voorlopig zullen we het echter moeten doen met de bestaande theorieën, maar onbevredigend is het wel.

donderdag 11 augustus 2016

Nr, 13 OVERBEVOLKING


Nr. 13   OVERBEVOLKING                       5 augustus 2016

In het nieuws werd onlangs vermeld dat de bevolking van Nederland met 45.000 inwoners (maar ik zag ook andere getallen) was toegenomen, was dat sinds 2015? Ook was te kezen dat die toename hoofdzakelijk door de instroom van vluchtelingen kwam.

Meteen rees bij mij de gedachte op: “Is Nederland langzamerhand niet te vol met nu 17 miljoen inwoners?” Ja dat vond men ook al in de vijftiger jaren, toen de regering ons stimuleerde te emigreren. Zelfs de koningin vond ons land toen (met ruim 10 miljoen inwoners) “vol, overvol”.

En nu, ruim 60 jaar later? We zijn zelfs een immigratieland geworden: “Kom maar binnen!”, en dat gebeurt dan ook. Van alles komt er binnen, uit Afrika, Azië maar ook uit Europa. Echte vluchtelingen maar nog veel meer gelukzoekers.

Is die politiek verstandig? We stikken intussen van de problemen, en die worden er zo niet beter op: Files, werkloosheid, vergrijzing, daklozen, woningnood, voedselbanken, enz. We hebben nu brede snelwegen die toch nog steeds te smal blijken door steeds meer auto’s. De  natuur komt steeds meer in de verdrukking en moet wijken, steeds meer planten en vogels dreigen uit te sterven. De CO2 uitstoot is te hoog en de CO2 concentratie in de lucht stijgt nog steeds. Nieuwe kolencentrales moeten daarom weer sluiten maar dan moeten we stroom importeren. Dan hebben we ook nog teveel fijnstof, afval,  mestoverschot, bodemdaling en aardbevingen door gasproductie. Door de klimaatverandering en warmer zeewater hebben we nu ook steeds heftigere buien met zeer veel neerslag, soms (enorme) hagelstenen, onvoldoende waterberging en ondergelopen straten en woningen.

Men probeert wél wat aan de opwarming van de aarde te doen, door de CO2 uitstoot te verminderen. Maar doen we ook iets om het aantal inwoners van Nederland te verminderen? Eigenlijk niet, terwijl toch heel veel problemen in dit overvolle land uiteindelijk aan de “overbevolking” van ons land te wijten zijn.

Men probeert nu de stroom vluchtelingen wat in te dammen, alleen echte vluchtelingen mogen naar binnen, maar men stelt nog steeds geen quota en zet illegalen nauwelijks uit en dus groeit ons land nog steeds. Er wordt nog steeds kinderbijslag gegeven, dus hoe meer kinderen, hoe meer geld, niet erg handig om het inwonertal van Nederland terug te brengen, maar dat wíl men blijkbaar ook niet.

Er is al jaren lang een “club van 10 miljoen” die Nederland terug naar 10 miljoen inwoners wil hebben, maar helaas, zij zijn “roepende in de woestijn”.  

OVERBEVOLKING

Bij dit alles denk je automatisch aan “overbevolking”, Nederland is overbevolkt. Maar dit woord kom je niet vaak tegen, er lijkt een taboe op te rusten. Maar toch, de overbevolking is de oorzaak van ongeveer alle problemen die we in Nederland, maar ook op deze wereld, hebben. Laat ik eens wat getallen verzamelen, want waar hebben we het eigenlijk over? Eerst maar Nederland:

                         Aantal inwoners van Nederland in:



1900                5,1   miljoen             1910            5,9   miljoen      1920                6,8       ,,                  1930           7,9       ,,
1940                8,9       ,,                  1950           10,1      ,,
1960                11,5      ,,                  1970           13        ,,
1980                14,1      ,,                  1990           15        ,,
2000                5,9      ,,                  2010            16,6      ,,

                         Nu in 2016:  17 miljoen inwoners !

In een dikke eeuw zijn we dus enorm gegroeid, van 5 naar 17 miljoen

Wat betekent dit voor de bevolking ? Dat we steeds minder ruimte hebben, voor ons, voor ons vervoer, voor onze woningen, dat het steeds drukker wordt, enz.
                                       

Oppervlakte van Nederland is:  4.150.000 ha  betekent dat:

Ruimte per inwoner:  0,24 ha = 2400 m2

In werkelijkheid is het minder, zonder water (18 %) beslaat de  oppervlakte ongeveer 3.400.000 ha, resulterend in:

Ruimte per inwoner:  0,2 ha = 2000 m2


Bekijken we nu de bevolkingsgroei op wereldschaal vanaf het begin. De mensheid begon ongeveer een half miljoen jaar geleden, zeker is dit niet, maar laten we hiervan uitgaan. In ieder geval heeft het honderdduizenden jaren geduurd, tot rond het jaar 1800 er één miljard mensen op aarde rond liepen. Daarna ging het snel, te snel ! Bekijk de tabel:

                Aantal inwoners van de wereld in:

1804                1 miljard                   1927                2 miljard

1959                3 miljard                  1974                4 miljard

1987                5 miljard                  1999                6 miljard

                Nu in 2016:  ruim 7,4 miljard inwoners !

In 200 jaar dus 7 maal zoveel mensen. Wat betekent dit voor de mens qua beschikbare ruimte?

Oppervlakte van de wereld is: 51.000.000.000 ha totaal.

Hiervan is 72 % water en 28 % land.

Oppervlakte van het land is:   15.000.000.000 ha

Bruto ruimte per wereldbewoner is dan ongeveer 2 ha = 20.000 m2,  10 maal zoveel als in Nederland dus. Ruimte genoeg dus? Heel veel van deze ruimte is nodig voor voedselproductie en dat wordt niet minder, in tegendeel, omdat de wereldbevolking stijgt, is er steeds meer voedsel nodig en dus meer ruimte.
De Club van Tien miljoen zegt hierover het volgende:

“Overbevolking is een wereldprobleem. Maar laten we ook onze eigen 17 miljoen superconsumenten en megavervuilers, medeveroorzakers van broeikaseffect en klimaatverandering, proberen te reduceren. Terug naar vier miljoen, maar met de nodige versobering en vergroening is er in Nederland wellicht ruimte voor een club van tien miljoen”.

“De aarde kan nu eenmaal maar voor twee miljard mensen een kwaliteit van leven bieden op het niveau van de Europese Unie. Met acht à tien miljard mensen zal de welvaart per persoon op wereldschaal dalen tot dat van een arme boer die nauwelijks in zijn eigen voedsel kan voorzien en geen welvaart kent. We zullen dus alles eerlijk moeten delen om geen ruzie of oorlog te krijgen.”

Helaas, dat doen we niet en ruzie en oorlog hebben we al.

Bron:


Wikipedia voor de getallen

zondag 17 juli 2016

Nr. 12 KOLENCENTRALES


Nr. 12  KOLENCENTRALES                 15 juli 2016

De kolencentrales zijn weer eens in het nieuws. Men wil ze allemaal sluiten, maar…. we hebben nog even tijd, in 2020 moeten ze pas dicht zijn en dat gaat 7 miljard euro kosten.

Waarom moeten ze eigenlijk dicht? Kolencentrales stoten per kilowattuur meer CO2 uit dan de gas- en oliecentrales en als de kolencentrales gesloten zijn zal de totale CO2 uitstoot aanzienlijk dalen, dat moet omdat we aan onze internationale verplichtingen moeten voldoen.

Hoeveel CO2 zouden die Nederlandse kolencentrales eigenlijk  uitstoten per jaar? Ik vond op de site van Greenpeace het volgende staatje:



Kolencentrales               Bouwjaar               vermogen            CO2 uitstoot

EON Maasvlakte 1          1988 (uit 2017)     500 Mwatt          3,9 Mton/jaar

EON Maasvlakte 2         1989 (uit 2017)     500    ,,                3,9      ,,

Essent Amercentrale8   1981 (uit 2016)      645    ,,                5,1       .. 

Delta  Borsele                1988 (uit 2016)     406    ,,                3,2      ,,

GDF/Suez  Nijmegen     1985 (uit 2016)      570   ,,                4,5      ,,

NUON  Hemweg             1995                      630   ,,                4,5      ,,

Essen Amercentrale 9    1994                      600   ,,                4,3      ,,

GDF/Suez  Maasvlakte   2015                      800   ,,                6,2      ,,

EON Maasvlakte 3          2015                    1070   ,,                7,9      ,,

Essent Eemshaven          2015                    1600    ,,               10,4     ,,           

Totaal                                       7321                    52



Ook vond ik ergens dat Nederland per jaar in totaal 200 megaton CO2 uitstoot en dat het sluiten van de kolencentrales de CO2 uitstoot van Nederland met 31 % zou verminderen. Greenpeace opperde in reactie dat dit eigenlijk maar 9 % (“netto reductie”) is omdat na de sluiting stroom geïmporteerd zou moeten worden die voor een deel met buitenlandse kolen- en bruinkoolcentrales opgewekt wordt.

Nog een getal, ik lees op de website van NOS dat:

“De sluiting van alle kolencentrales in 2020 jaarlijks 7,7 megaton CO2 scheelt, maar dan zou de energie uit kolen volledig vervangen moeten worden door groene energie. 

Ik begrijp hier niets van, hoe komt men aan die 31 % en die 7,7 megaton? 31% van 200 megaton is 62 megaton CO2. Dat klopt dus niet met de 52 megaton van álle kolencentrales in de tabel van Greenpeace en nog minder met de kolencentrales waarover nog geen plannen voor sluiting zijn genomen. En die 7,7 megaton van de NOS? Dat getal begrijp ik helemaal niet, op welke kolencentrales slaat dit?

Nederland probeert dus echt om aan de uitstoot reductie van CO2, zoals afgesproken is op de klimaatconferenties, te voldoen. Is deze vermindering van CO2 uitstoot wel van invloed op de opwarming van de aarde? Helaas niet.

De aardatmosfeer bevat, zoals ik eerder heb vermeld, ongeveer 3000  gigaton  CO2.  Daar komt nog steeds elk jaar 25 - 30 gigaton (1 gigaton = 1000 megaton) CO2 bij. Zo lang dit doorgaat, doordat vele landen niet mínder, maar méér CO2 uitstoten, zal de opwarming van de aarde doorgaan (als deze opwarming inderdaad door de CO2 toename veroorzaakt wordt) en niet beperkt blijven tot 2 graden Celsius (wat trouwens veel te veel is).

Ik vraag me nog iets af: Kunnen we die 7 miljard euro niet gebruiken om de boosdoeners van kolencentrales: CO2, fijnstof en NOx, af te vangen en de CO2 onderzees op te slaan? Dan hoeven we de kolencentrales niet te sluiten en blijft de stroomprijs laag.



BRONNEN

Website van NOS

7,7 megaton minder CO2

De sluiting scheelt jaarlijks 7,7 megaton CO2. Maar dan zou de energie uit kolen, volledig vervangen moeten worden door groene energie.

De moderne kolencentrales toepassen, dan scheelt dat een kwart van de CO2 emissie (maximaal 250 gram CO2 per kWh)
Bovendien zetten die moderne varianten 45 procent van de verbrandingswarmte om in energie, 8 procent meer dan hun oudere broertjes.

Gascentrales stoten maximaal 400 gram CO2 uit per opgewekt kWh. Voor een huishouden zou dat op jaarbasis 2.000 kilo CO2-uitstoot schelen.

Nederland stoot alles bij elkaar jaarlijks 200 megaton CO2 uit. Doelstelling van het Energieakkoord is die uitstoot tot 2020 met 25% te verminderen.

Website van Greenpeace

“2. Hoeveel kolencentrales zijn er in Nederland?

Er staan nu in Nederland 8 kolencentrales aan. Drie oude installaties zijn onlangs gesloten en voor eind 2017 gaan er nog eens 2 centrales dicht, zoals afgesproken in het energieakkoord. Dan zijn er nog twee centrales uit de jaren 90. Dit jaar zijn er drie (!) nieuwe centrales geopend, door E.ON, Essent en GDF Suez. Zelfs als we de 5 oudste centrales sluiten, stoten de centrales uit de jaren negentig samen met de 3 nieuwe centrales samen 31,4 megaton CO2 uit. Dat is 16 procent van alle CO2 die in Nederland de lucht in gaat.”

Die laatste getallen kloppen wel, (100 : 16) x 31, 4 = 196,25. Ongeveer 200 megaton CO2 dus.



Zie ook blog nr.7 van 7 maart j.l.

vrijdag 17 juni 2016

Nr. 11 Brediuspark

Nr. 11, 17 juni 2016

EEN  AKELIG  MENS  IN  HET  BREDIUSPARK

Zo’n jaar of elf wonen wij, vrouw, hondje en ik, nu in Woerden tegenover een mooi park, dat vroeger een landgoed was: het “Brediuspark”. Dit landgoed behoorde vroeger aan de familie Bredius. Ooit was een “Bredius” burgemeester van Woerden en heel vroeger werd het landgoed gebruikt voor landbouw en veeteelt. Toen heette het landgoed “Batestein”, behorende tot de polder “Het Oude Landt”. Het zwembad vlak bij heet nog steeds Batestein.

In 1963 werd het landgoed door de gemeente Woerden onteigend. De familie Bredius had nog wel bepaald dat er nooit gebouwd mocht worden in het park, maar toch dreigde dat te gebeuren. Omdat er veel geprotesteerd werd door de burgers van Woerden is het grootste deel gelukkig nog steeds park. Er staan wel wat gebouwen aan de rand zoals een verzorgingshuis en service appartementen. De  prachtige villa “Rijnoord”, werd ooit gebouwd en bewoond door Jacobus Bredius en is onlangs geheel in stijl gerestaureerd. Ook de boerderij van Cornelis Jan Bredius, met bijgebouw, staat er nog steeds. In 1977 werd deze prachtige hoeve tot rijksmonument verklaard. Helaas is het hoofdgebouw in 2008 door brandstichting in vlammen opgegaan en de ruïne is nog steeds niet opgebouwd, wat eigenlijk een grote schande is. De brandstichting is, voor zo ver ik weet, nooit opgeklaard. Er zijn nu (in 2016) eindelijk wat vage plannen om het huis weer op te bouwen en men zoekt er nu ook een bestemming voor. Het park intussen overgedragen aan een stichting en die heeft, met subsidie, al behoorlijk wat verbeteringen aangebracht.

Waar ligt dit park precies? Het is gelegen westelijk van de weg naar Kamerik, de Oudelandseweg. Oostelijk grenst het aan één van de singels en het einde van de Kievitstraat. De zuidkant van het park grenst aan het laatste deel van de “s-Gravensloot”. Dit prachtige weggetje, dat de grens vormt tussen Kamerik en Woerden bestaat uit een smalle rijstrook tussen twee sloten met oude knotwilgen. Aan de Kamerikse kant van dit laantje staan een aantal mooie, soms monumentale boerderijen, maar ook een stel vrijstaande, modernere woningen. Aan de andere zijde ligt dus het Brediuspark en daarna allerlei woonhuizen.

De “s-Gravensloot vormt de grens tussen de Kamerikse polder en de bebouwde kom van Woerden. Deze “sloot” is een belangrijke doorgangsroute, waarvoor het weggetje echter totaal ongeschikt is en eigenlijk afgesloten zou moeten worden voor doorgaand verkeer. Woerden is sowieso een verkeerstechnische ramp.

Al ruim veertig jaar wandelen wij met veel plezier in dit fraaie landgoed. Het is eigenlijk een wonder dat het park er nog is want de gemeente keek (kijkt?) altijd met begerige blikken naar het park en zou het graag vol willen bouwen. In 1966 werd het park opengesteld voor het publiek.

Waarom is dit park zo interessant? Er is van alles te zien en te doen. Zo is er een arboretum met allerlei oude hoge bomen, diverse boomgaarden met hoogstam appel- en perenbomen. Ertussen lopen brede en smalle slootjes met gele plomp en witte waterlelies.

Er zijn allerlei bosschages, waarvan sommige niet betreden kunnen worden, zodat de natuur daar z’n gang kan gaan. Er zijn enkele flinke weiden voor schapen en koeien en er is een flink sportveld.

Dit alles heeft er voor gezorgd dat er veel soorten vogels voorkomen, mezen, vinken, reigers, ijsvogels, sterntjes, uilen, torenvalkjes, Vlaamse gaaien, aalscholvers, reigers en vooral “drijfsijsies”, zoals allerlei eenden, normale maar ook mandarijn- en krakeenden. Te zien zijn eveneens allerlei soorten ganzen: grauwe gans, Canadese gans, brandganzen en nijlganzen; verder nog zwanen, waterhoentjes, futen, vooral meerkoeten en soms veel meeuwen. Ook hoor ik een enkele keer een koekoek. Volgens mij zijn er wel veel te veel kauwen en kraaien. Duiven zijn er ook veel maar of dat erg is? Ook de vele konijnen doen volgens mij weinig kwaad. Die zouden een bedreiging kunnen zijn voor de pas aangelegde moestuin, maar deze is begrensd door slootjes en een “konijnproof” hek.

In het park is ook al heel lang een kinderboerderij “Kukeleboe” waar vooral geiten, bokjes, gevlekte schaapjes een thuis hebben, zeer aantrekkelijk . Ook zijn er kippen en hoor ik de haan kraaien.

Het bijgebouw van de Brediushoeve is nu een “Educatief centrum voor Natuur en Milieu” waarin af en toe exposities rond een natuurthema worden gehouden. Naast dit gebouw ligt de Heemtuin met een grote variatie inheemse planten, de meeste voorzien van naambordjes. Het is heel leerzaam om er in rond te lopen. Er zijn verschillende perkjes: “stinzenplanten”, leuke namen hoekje, kruidentuintje, verfplanten, graanakkertje, moestuintje en overal bloemen! Een paar “leuke” namen? Lieve vrouwen bedstro, hemelsleutel, vingerhoedskruid, hoe langer hoe liever, schildersverdriet, jacobsladder, duizendschoon en nog veel meer. En de ”stinzenplanten”? Dat zijn uitheemse planten die al lang geleden ingevoerd zijn en het hier goed blijken te doen!

In het park zelf tiert alles welig en ziet men in de bermen alles wat de Nederlandse natuur te bieden heeft: In het voorjaar begint dat  met sneeuwklokjes en wilde narcissen. Dan komen: speenkruid, paardenbloemen, toeterlof (fluitenkruid), “look zonder look”, Pinksterblom, gele lis, bloeiende klaver, dotterbloemen, volop boterbloemen, ineens is daar de knalrode klaproos, dan de gele leeuwenbekjes, blauwe klokjes, lila wikke, volop roze en witte valeriaan en….een enkele korenbloem!. En in juni? Dan schieten de grassen de lucht in en groeit het riet langs de sloten meters hoog. Heel jammer maar dan moet er op zeker moment, in de zomer gemaaid worden, anders zou het park te rommelig en onbegaanbaar worden.

Ieder voorjaar is het weer een prachtig gezicht als de fruitbomen in de diverse boomgaarden bloeien. Ook het jonge groen, de uitlopende knotwilgen en het meters hoge toeterlof wat weer de grond uitschiet, maken ons ieder jaar weer blij. Maar laten we ook de andere jaargetijden niet vergeten. Zo is het park in de herfst met z’n prachtige kleuren erg fotogeniek en ’s winters is een besneeuwd Brediuspark met blauwe hemel helemaal wonderschoon.  

Wat is eigenlijk de geschiedenis van de familie Bredius en het park? Op de website; “verhaalvanwoerden.nl” stond een artikel over de familie Bredius en het landgoed. Hier volgt het (enigszins ingekort):      

“In Woerden en omgeving bestonden de stads- en dorpsbesturen in de eerste helft van de 19e eeuw uit leden van een paar families en groepen, die ook in de polderbesturen, provinciale besturen en kerkbesturen een belangrijke rol speelden. Het waren vooral liberale heren van hervormde huize met niet al te drukke banen, die het zijn van burgemeester of wethouder als bijbaantje beschouwden. Tussen 1825 en 1875 was de belangrijkste familie in onze gemeente de familie Bredius. De eerste Woerdense Bredius was mr Jacobus Bredius, geboren in Maarssen, die zich in 1812 in Woerden had gevestigd als notaris. Rond 1820 kocht hij grote stukken land in de polder Oudeland, het latere “bos van Bredius”. In 1824 werd Jacobus Bredius burgemeester van Woerden. Hij stierf al in 1826. Zijn zoon Cornelis Jan was met zijn 22 jaar nog te jong om hem in Woerden op te volgen, maar voor kleinere plaatsjes was zijn leeftijd helemaal geen probleem. In 1825 werd hij, 21 jaar oud, al burgemeester van Barwoutswaarder, Rietveld en Waarder en twee jaar later werd hij burgemeester van Kamerik, de Houtdijken en ’s-Gravesloot. Vanuit die positie bouwde Cornelis Jan Bredius zijn macht uit: hij werd lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland (waartoe Woerden toen  behoorde) en in 1849 dijkgraaf van het Groot-Waterschap van Woerden. Vanaf 1850 begonnen de hoogtijdagen van zijn macht. In Woerden was toen een arts, Isaac de Brauw, burgemeester. Hij wilde zijn hoofdberoep niet afstoten en legde het burgemeesterschap neer. Er was geen twijfel over wie hem moest opvolgen: Cornelis Jan Bredius. Hij moest dan echter wel een paar andere functies neerleggen: het burgemeesterschap van de drie Kamerikse gemeentes en van Zegveld, waar hij in 1850 ook al burgemeester was geworden. In Barwoutswaarder, Rietveld en Waarder bleef hij nog tot 1855 burgemeester om de functie in de familie te kunnen houden: zijn zoon mr Jacobus Bredius, advocaat, was met zijn 26 jaar toen oud genoeg om dat baantje over te nemen.

Cornelis Jan Bredius breidde het grondbezit van de familie in de polder Oudeland uit en liet in 1853 de boerderij Batestein bouwen, die hij verpachtte. In 1863 bouwde hij voor zichzelf de villa Rijnoord aan de Oostdam, bij de Snellerbrug. In datzelfde jaar trad hij af als burgemeester van Woerden; vier jaar later legde hij de functie van dijkgraaf neer en in 1871 is hij te Woerden overleden.

Enkele jaren later was de invloed van de familie in Woerden voorbij. Mr Jacobus Bredius, de burgemeester, werd officier van Justitie in Leiden en verliet de stad; een andere zoon werd directeur van de kruitfabriek in Naarden en zijn twee dochters verlieten Rijnoord begin jaren ’80 van de 19e eeuw. De familie Bredius bleef nog lang eigenaar van het landgoed en een achterkleinzoon keerde als landbouwer en fruitkweker in de jaren ’20 terug naar de boerderij Batestein. Deze Arnold Bredius kwam in de jaren ’50 in strijd met de gemeente Woerden, die het ‘bos van Bredius’ voor woningbouw wilde bestemmen en het in 1966 tenslotte onteigende. Woningbouw is er echter niet gekomen: nog altijd is Bredius een groot park, een oase voor wandelaars en liefhebbers van de natuur. In Woerden zijn het bos, de villa Rijnoord en de restanten van de in 2008 afgebrande boerderij Batestein de laatste herinneringen aan de machtige familie Bredius.”

Dit over de geschiedenis van het Brediuspark.



Maar nu de titel van dit verhaal. Ooit las ik Hildebrands verhaal in de Camera Obscura over: “Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout”. Maar wie is nu dat “Akelige mens in het Brediuspark”? Dat blijk ikzelf te zijn en dat heeft te maken met onze hond, die heel lief is maar zich helaas niet met alle andere honden goed verdraagt. Loslopen mag hier bijna nergens dus loopt ze  meestal aan de lijn en áls ze losloopt en we iemand anders met een hond aan zien komen, lijnen we onze hond altijd direct aan. Helaas doen anderen dat heel vaak niet en dan gaat het wel eens mis, met een hoop gegrauw en gegrom en soms bijten. Vaak gebeurt het volkomen onverwacht en hoe reageer ik dan?: “Hou @:>& je hond aan de lijn als je hem niet de baas bent”. Tja en dan krijg ik wel eens , het één en ander naar m’n hoofd geslingerd: “Ouwe demente l..l , dat je sterft aan de prostaat k……!, en ’s ochtends vroeg, als ik alleen loop met de hond: “Wat ben je toch een akelige klier!” Waarom? Omdat ik een beetje liep te joggen met onze hond, terwijl dat scheldende mens zelf ook geen voorbeeld is. Dan ging iemand ook nog bijna met mij op de vuist, toen z’n loslopende Duitse herder op onze fox afstormde en ik hem (iets te luid) vroeg of hij niet gelezen had dat honden niet los mogen lopen (behalve op aangewezen veldjes). De gemeente Woerden heeft iedere hondeneigenaar namelijk een brochure gestuurd over wat wel en niet mag, zoals loslopen, kak opruimen.

Wat is er toch aan de hand? Krijgen de mensen hier een steeds korter lontje? Worden we steeds agressiever en ongehoorzamer? Is ons land gewoon te vol? Of ben ik echt een “akelige klier” in het Brediuspark? Vraag het maar aan de anderen.












maandag 30 mei 2016

Nr. 10 DOOFPOT


Nr. 10  DOOFPOT,    29 mei 2016

De commissie Oosting meldt zich op zekere dag, volgens afspraak, bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie om de bonnetjes affaire te onderzoeken.

Hebben jullie hier misschien één of meer doofpotten?” 

“Doofpotten, wat zijn dat precies?

Nou dat zal hierna uitgelegd worden. Zoals vele, wat oudere mensen hebben wij er één in huis, een hele mooie, van rood koper met een messing deksel, ooit geërfd. Helaas, hij staat in de kast: “past niet in het interieur”, te gedateerd.
         De commissie begon het ministerie uit te leggen wat een doofpot is:

"Een doofpot is oorspronkelijk een pot waar, in woningen met kachelverwarming, de nog niet uitgebrande brandstof in werd gestopt. Doordat de pot luchtdicht gesloten kan worden, stopt de verbranding al gauw, door gebrek aan zuurstof. De overgebleven resten brandstof kunnen opnieuw worden gebruikt. Hout kan in de doofpot door gebrek aan zuurstof verkolen tot houtskool.
In een middeleeuwse stad met houten huizen was het systematisch gebruik van de doofpot erg belangrijk ter voorkoming van brand. Het laten branden van een kachel of haard zonder toezicht was erg gevaarlijk.  In de moderne betekenis wordt "in de doofpot stoppen" figuurlijk gebruikt, om aan te geven dat men onwelgevallige gebeurtenissen liever niet in de openbaarheid brengt en er zo veel mogelijk over zwijgt. Als de gebeurtenissen toch worden ontdekt, wordt er schande gesproken van het verzwijgen. Algemeen is men van mening dat een overheid of een directie van een bedrijf zaken niet in de doofpot zou mogen stoppen, maar ermee naar buiten zou moeten treden.
Wordt achteraf ontdekt dat een bepaalde zaak in de doofpot is gestopt, dan spreekt men van een doofpotaffaire. Het paradoxale van doofpotaffaires is dat hun bestaan pas aan het licht treedt wanneer het deksel van de doofpot gaat. Hoeveel zaken in de doofpot worden gehouden is derhalve niet bekend, een omstandigheid die complottheorieën en paranoia bevordert. Het bestaan van een doofpot wordt vaak bekend dankzij het optreden van een klokkenluider.
Sinds de nasleep van de Bijlmerramp is ook de term "onder de pet houden" in zwang. Het Engelstalige equivalent voor de Nederlandstalige doofpot is "cover-up"."
 Nogmaals de vraag van de commissie:
          
         "Hebben jullie echt geen doofpotten hier?"
“Nee”, antwoordde het ministerie, “Wij hebben hier géén doofpotten in huis !” 
Maar we willen toch even goed zoeken.”
Maar helaas, de commissie Oosting kon geen doofpotten vinden, daarvoor was de puinhoop op het ministerie te groot. 

Bronnen o.a. Wikipedia , internet















.